Kennis

Kennis is dat wat geweten wordt, wat geleerd is (en opgeslagen) en dat waar een individu inzicht in heeft. Kennis omvat informatie, beschrijvingen hiervan of vaardigheden die door ervaring of opleiding zijn verkregen. In de kentheorie of epistemologie wordt onderzocht wat kennis is en of aanspraken op kennis gerechtvaardigd zijn. In de loop van de tijd zijn er dan ook wisselende ideeën ontwikkeld over wat er te weten valt en in welke mate er sprake moet zijn van twijfel.

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen theoretische en praktische kennis. Er bestaan vele soorten kennis, bijvoorbeeld zelfkennis, vakkennis en wetenschappelijke kennis.

Algemene ontwikkeling is basiskennis op allerlei gebieden.[1]

In het dagelijks leven worden met het begrip "kennis" een verzameling van uiteenlopende zaken aangeduid.[2] Het is op de eerste plaats de bekendheid met een persoon, zaak of verschijnsel. Dit kennen of deze bekendheid volgt uit ervaring en weten. Maar dit kan ook vastgelegd zijn in een document of abstracter in de samenleving aanwezig zijn. In tegenstelling tot de omringende landen duiden we in het Nederlands de persoon die we kennen, de vriend of bekende, ook aan met kennis.

Kennis zien we verder als iets wat specifiek de mens kan bezitten, zoals het weten, de kennis en/of informatie, maar hiernaast ook als een gemoedstoestand van het bewustzijn ofwel het "bij kennis zijn".

In de filosofie is de vraag "wat is kennis?" al sinds de Oudheid bediscussieerd, waarbij men kennis associeert met "wetenschappelijke kennis".

De filosoof Kuyper (1977) definieert kennis zo als "het geheel van overtuigingen en inzichten die door wetenschappelijk onderzoek verkregen worden,". Hij spreekt hier vooral over de kennis in de samenleving. Deze breidt zich volgens hem voortdurend uit door voortgezet onderzoek. Zij wijzigt zich echter ook, doordat een deel van hetgeen vroeger aan theoretisch inzicht werd bereikt, bij nader inzien verworpen moet worden. Kennis moet als ware kennis worden opgevat en de vereisten voor "ware kennis", worden in de kennisleer onderzocht.[3]

In een studie naar de opvattingen over kennis in de wetenschappelijke theorie vonden Poell en Kessels (2001) deels gelijke opvattingen,[4] ook de opvatting dat kennis een vermogen is, dat verworven kan worden: Kennis is een persoonlijke bekwaamheid: een vermogen waarin weten en toepassing zijn geïntegreerd. Intellectueel kapitaal is de kennis, de informatie, het intellectueel eigendom en de ervaringen die kunnen worden aangewend om rijkdom te creëren. Zulke kennis kunnen medewerkers opdoen door het uitvoeren van taken in organisaties altijd gekoppeld aan actie.

Verder stuitten Poells en Kessels op meer specifieke beschrijvingen: kennis als iets veranderlijks: Kennis ziet men hier als een veranderlijke combinatie van ervaringen, waarde, contextuele informatie en vakkundig inzicht dat een kader vormt waarmee nieuwe ervaringen en informatie geëvalueerd en geïntegreerd kan worden. Tevens zagen zij kennis als iets rechtvaardigs: kennis is een gerechtvaardigde opvatting: een constructie van de realiteit en niet iets wat waar of onwaar is. Tot slot zagen zij weer kennis als persoonlijk bezit: kennis is het, deels onbewust, vermogen dat iemand in staat stelt een bepaalde taak uit te voeren, wat niet kan los worden gezien van de bezitter.

Weggeman (1997) heeft de hier bestaande opvattingen over kennis onderzocht en geïnventariseerd, met name gericht op de bruikbaarheid ervan.[5] Volgens hem moet kennis gezien worden als het het geheel van betekenissen, begrippen, vaardigheden, werkwijzen etc., die voor juist en waar wordt gehouden en richting geeft aan het handelen. Kennis omvat volgens sommigen ook het vermogen om informatie om te zetten in goede beslissingen. Nog meer specifiek ziet men kennis als het vermogen om te kunnen voorspellen, hoe mensen en dingen zich gedragen. Ten slotte betreft een derde betekenis de herkomst: kennis is door studie, onderzoek of oefening verkregen informatie die waarde heeft voor de organisatie.

Dit historisch overzicht geeft een overzicht van de omgang met kennis in de opvolgende tijdperiodes van de menselijke ontwikkeling vanaf de prehistorie tot in het heden.

In de prehistorie was de menselijke kennis een voorwaarde tot overleven. Zo vergde de jacht, naast een uitstekende conditie, een zekere kennis van dierensporen, het gedrag van dieren en de omgeving. Hoewel er discussie is of oude hominiden als Homo erectus en Homo habilis nu jagers of aaseters waren, ziet men verzamelen en jagen als belangrijkste activiteiten van de prehistorische mens in de Oude Steentijd. Of deze vroege mens ook genoeg kennis had van spoorzoeken is niet bekend. Uit skeletresten van de Homo erectus blijkt echter wel, dat deze net als de huidige mens in staat was lange afstanden (hard)lopend af te leggen.

Vanaf de late steentijd bevatte Moeder-godin-cultussen bepaalde hoogtepunten van publieke viering, gekoppeld aan de kalender, meer bepaald de cruciale momenten in de stand van de maan, de sterren en planeten. Maar daarenboven was er het continu in stand houden van kennis en kunde. Deze had dan in eerste instantie betrekking op vaardigheden zoals spinnen en weven, pottenbakken, teelt van gewassen en kruiden, maar ook hoe daarmee om te gaan voor het behoud en herstel van de gezondheid. Dit alles was sedert het steentijdperk het initiatief en het domein van moeder de vrouw. Zelfs het eerste schrift zou door haar zijn ontstaan bij het aanbrengen van herkenningstekens op potten in klei. Ook het bestuderen van de luchtgesteldheid en van de hemel ter wille van het bepalen van de juiste momenten voor het zaaien en oogsten was oorspronkelijk een vrouwenzaak. In het oude Egypte bijvoorbeeld waren de observatoria aan de tempel van de godin gekoppeld.

De oude Keltische beschaving in Europa kende een priesterstand van druïden, die in een groot deel van West-Europa ten noorden van de Alpen en op de Britse Eilanden bestond. Pas eerst door de Romeinse overheid, en later door het christendom werd ze verdrongen. De praktijken van druïden maakten deel uit van de cultuur van alle Keltische en Gallische volksstammen. In de druïden verenigden zich de taken van priester, bemiddelaar, arts, wetenschapper en rechter.

In de volksverhalen vindt men nog vaak de vermelding van het bestaan van een "bron", "boom" of een "hoeder" van de opperste kennis en wijsheid. Zo wordt in de Germaanse en Noordse mythologie de oppergod Odin het levend symbool van opperste macht en wijsheid.

In Mesopotamië wordt een reeks technologische innovaties gerealiseerd, zoals het schrift, getalstelsels, kalender indeling, landkaarten, die tot op de dag van vandaag voortleven in de tijdsaanduiding en kalender maanden, weken en zeven dagen in de week.

Er is een verwevenheid van wetenschap en religie. Astronomie en astrologie werden als gezien als hetzelfde, wat blijkt uit de wetenschapsbeoefening door priesters in Babylonië. In die tijd was zelfs een trend zichtbaar, omgekeerd aan de trend in de moderne wetenschap die zich heeft afgekeerd van bijgeloof en geloof. In de Mesopotamische astronomie is in de loop van de tijd meer gebaseerd op astrologie, waarbij de sterren werden bestudeerd in termen van horoscopen en omina.

In het Oude Egypte werd Imhotep de schutspatroon van de geneeskunde, de hogere kennis en het schrijven. Vanwege de kennis van de geneeskunde stelden de Grieken hem gelijk met de god Asklepios en vanwege zijn kennis van de schrijfkunst werd hij ook verbonden met de god Thoth.

In het oude India en de hindoeïstische filosofie vormen de Veda's geschriften de basis voor veel van de religies die tot het hindoeïsme gerekend worden. Ze bestaan uit religieuze hymnen over God(en), spirituele filosofie, het universum, de natuur en de juiste levenswijze. Het woord 'Veda' is etymologisch verwant aan het werkwoord weten en betekent "kennis".

Van mythos naar logos De oude Grieken hadden voor hun handelscontacten nadere kennis nodig van geografie, weer, windrichtingen, maanstanden, rekenen enz. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het verlangen naar feitelijke kennis zich in eerste instantie naar deze zaken uitstrekte. In deze presocratische tijdsfase overheerste daarom vooral natuurwetenschap. Zo moest men bijvoorbeeld kunnen berekenen met welke windrichting men een bepaalde afstand binnen een zekere tijdsduur volgens een bepaalde koers zou kunnen afleggen.

Deze Hellenistische kennis verspreidde zich door de veroveringen van Alexander de Grote over het oostelijk en via de overheersing door de Romeinen over het gehele Middellandse Zeegebied.

Overigens stonden de oude Grieken zeker niet alleen aan de wieg van deze wetenschappen. Het staat vast dat zij via het Vooraziatische achterland (bv. de Phoenicische, Assyrische, Babylonische, Sumerische en zelfs Indiase cultuur), de nodige kennis hebben overgenomen.

Kennis was voor Augustinus vooral kennis van het eeuwige en het onveranderlijke, en niet van dingen die constant aan verandering onderhevig zijn. De wereld om ons heen is constant in Flux, en derhalve kan vaste, zekere kennis niet uit de waarnemingen van deze wereld gedestilleerd worden. Ware kennis komt tot ons via illuminatie. Dit is goddelijk licht dat ons beschijnt, en dat wij door toedoen van onze interne leraar, Jezus Christus, als zodanig kunnen herkennen. Zie ook Gnostiek en Illuminatie (christendom). Gedurende de Middeleeuwen werd de kennis van de oudheid zorgvuldig bewaard en doorgegeven, maar op een weinig kritische wijze. Het beeld dat de Griek Ptolemaeus van het heelal had (de aarde is een bol en staat in het midden van het heelal) of de op dieren gebaseerde anatomie van de Romein Galenus werden vrijwel onaantastbaar. Rond 1200 werden de ideeën van Aristoteles in de theologie opgenomen. Door de kruistochten kwam men via de Arabieren in aanraking met de Griekse originele teksten.

Onder de renaissance wordt in de Europese geschiedenis een periode van opbloei van kunst, wetenschap en letteren verstaan die beleefd werd als een "wedergeboorte" van de verworvenheden van de klassieke oudheid. De grote vernieuwing in de 16e eeuw in Europa was, dat eigen onderzoek geaccepteerd werd als bron van kennis naast het logisch (Aristoteles) doorredeneren vanuit de kennis van Romeinen zoals Ptolemaeus, Galenus en anderen. In 1543 verscheen een boek van Copernicus dat niet de aarde, maar, minder fout, de zon in het centrum van het heelal plaatste. Ook in 1543 verscheen het boek van Vesalius die het menselijk lichaam beschreef naar aanleiding van secties. Inmiddels brachten ontdekkingsreizigers zoals Vasco da Gama, Columbus en Magelhaes de wereld in kaart en maakte men kennis met landen, volken, planten en dieren, waar men tot dat moment geen idee van had gehad. In deze tijd drong het besef door dat men de kennis uit de Oudheid waar men zo bewonderend naar op had gekeken, aan het voorbijstreven was. Dit stimuleerde flink het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de onderzoekers en men ging enthousiast steeds meer de altijd zo vast geloofde 'waarheden' van de autoriteiten uit de antieke cultuur in twijfel trekken en toetsen op waarheid. En zo groeide eind 16e, begin 17e eeuw het besef bij wetenschappers dat naast contemplatie op het vakgebied, ook eigen observatie en experiment de sleutel konden zijn tot kennis.

De verlichting bracht een politieke en filosofische beweging en nieuwe opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie binnen de westerse wereld grondig wijzigde. Het was een reactie op het dogmatische autoriteitsgeloof. Kennis is macht, meenden velen, wat onder meer tot uitdrukking kwam in de beroemde Encyclopédie. Deze kwam tot stand onder leiding van Denis Diderot en Jean d'Alembert, maar ook andere grote namen als Voltaire, Rousseau en Montesquieu droegen artikelen aan. Andere typische werken uit de verlichting zijn die van David Hume en Adam Smiths Wealth of Nations. Rousseau wordt wel tot de verlichting gerekend, maar dat is maar gedeeltelijk terecht. Zijn ideeën waren veel meer op emoties dan op het verstand gericht, en hij werd dan ook vaak bespot door Voltaire, die zelf als de belangrijkste Franse vertegenwoordiger van de verlichting wordt gezien.

Kennis is in verschillende context gerelateerd aan verschillende onderwerpen.

Er zijn algemene en specifieke eigenschappen in kennis te onderkennen. Gezien de vele vormen van kennis hebben deze eigenschappen meestal niet op alle vormen van kennis betrekking.

Een kenobject of kennisobject is een samentrekking van object van kennis, en duidt op de persoon, het voorwerp of het verschijnsel in de realiteit, waarnaar de kennis verwijst. Men kan spreken van het kenobject van een gedachte, van een hypothese, van een model, van een theorie, van een wetenschappelijke vakdiscipline, of van een studierichting.

Sinds de Klassieke Oudheid zijn er door filosofen en wetenschappers allerlei visies ontwikkeld op het wezen van wetenschappelijke kennis. Deze visies worden in de kennistheorie en wetenschapsfilosofie onderzocht en uitgelegd. Deze opvattingen zijn:[6]

Bewustzijn is een concept in de moderne filosofie en wetenschap dat wordt omschreven als 'weet hebben van', 'beseffen', 'zich realiseren', 'doordrongen zijn van', 'in de gaten hebben' en 'bezinning': de subjectieve reflectie van indrukken uit de buitenwereld (weten van wat je ziet, hoort of voelt en daarover kunnen vertellen) of eigen mentale processen (weten van wat er in je omgaat en daarover kunnen vertellen). De term "bewustzijn" is afgeleid van het Duitse Bewusstsein, geïntroduceerd door de filosoof Christian Wolff (1679-1754). Bewustzijn is sterk verwant met denken, waarneming en het gebruik van de zintuigen.

Een wereldbeeld of maatschappijbeeld is letterlijk het beeld of de voorstelling, die de mens heeft of die een institutie biedt omtrent de werkelijkheid, de samenhang ofwel het wezenlijke van de wereld. Het is dus de opvatting die een mens heeft over hoe de wereld is of zou moeten zijn. Hiernaast is een mensbeeld een geordend 'geheel van vooronderstellingen' dat betrekking heeft op de wijze waarop iemand de mens, zichzelf inclusief, ziet, ervaart, beleeft en zijn wezenlijkheid typeert. Binnen zo'n mensbeeld zullen meer en minder relevante vooronderstellingen bestaan. De mate van invloed op het handelen is van belang voor de relevantie.

Het begrip kennisverwerving is een overkoepelend begrip voor het individueel denken en het verstand gebruiken tot de wetenschappelijke kennisontwikkeling en maatschappelijke kenniscreatie. Met dit begrip kan verwijzen van het ene uiterste: tot één enkele gedachte komen tot het andere uiterste: het ontstaan van alle kennis in de geschiedenis der mensheid gecreëerd. Tegenwoordig spreekt men ook wel van kenniscreatie.

Bij kennis gaat het volgens Verbeke (2005) om het creëren van een nieuw perspectief en een nieuw model voor een specifiek proces of fenomeen, en om het kunnen toepassen van deze nieuwe kennis of inzichten op die specifieke domeinen. Die modellen zijn de feitelijke kennis, de zgn. "know-what" of propositionele kennis. Daarbij ligt de klemtoon op het verklaren van fenomenen, de "know-why", of op het ontwikkelen van regels of opstellen van wetten, de "know-what". Hiernaast bestaat de "knowhow", de toepassing van kennis, waardoor een beter begrip ontstaat van zowel het toepassingsgebied als van het "know-what". Dit is de kennis die mens kan ombuigen tot actie, of tot het geven van concrete adviezen.[7]

In grote lijnen kan men met betrekking tot deze relatie tussen theorie, waarneming en werkelijkheid twee tradities onderscheiden. Enerzijds een traditie waarin ervan wordt uitgegaan dat wetenschappelijke theorieën niet alleen de waarneming beschrijven, maar ook de structuur van de werkelijkheid blootleggen. In deze traditie interpreteert men wetenschappelijke theorieën gewoonlijk op een realistische manier: van theorieën wordt verwacht dat ze een ware beschrijving geven van de werkelijkheid. Theorieën hebben bovendien de taak om waarnemingen te verklaren. Anderzijds is er een traditie waarin men zeer sceptisch staat tegenover de mogelijkheid dat wetenschappelijke theorie een werkelijkheid los van de waarneming kunnen beschrijven. Deze traditie heeft een instrumentalistische inslag: theorie zijn instrumenten voor het ordenen van de waarneming.[8] Deze problematiek wordt verder bestudeerd in de kennistheorie.

Op de eerste plaats zijn er in de kennisleer en wetenschapsfilosofie allerlei specifieke vormen van kennis geformuleerd, door een reeks filosofen. Enige meer voorkomende gevallen zijn:

Verder worden er in de wetenschap en maatschappij allerlei andere specifieke vormen van kennis onderkend. Hieronder volgt eerst een opsomming van de meest voorkomende vormen, en ter afsluiting nog enige minder voorkomende opmerkelijkheden.

In publicaties over kennismanagement en kenniseconomie worden twee soorten kennis onderscheiden[9]:

Ook onderscheidt men soms 'tacit' kennis[10] (onbewuste kennis), refererend aan Michael Polanyis begrip tacit knowing[11].

Specialistische kennis is kennis afgeleid vanaf een bepaalde wetenschap en toegepast in een specifieke beroepspraktijk. Zo levert elke vakwetenschap zijn eigen specialistische kennis. Voorbeelden hiervan zijn aardwetenschappelijke kennis, geneeskundige kennis, geografische kennis, historische kennis en wiskundige kennis.

Specifiek over bedrijfskundige kennis, stelt Ton de Leeuw dat zij een tweeledig doel heeft: het is kennis om te weten en kennis om te doen. Het gaat om begrijpen en ingrijpen. Bedrijfskundige kennis geeft verklaringen van inzichten in bedrijfskundige kennis. En bedrijfskundige kennis biedt hulpmiddelen voor het verbeteren en veranderen van de bedrijfskundige werkelijkheid. Bedrijfskundige kennis is probleemgericht, althans de kennis die in en voor specifieke probleemsituaties is verzameld. Algemene kennis is uiteraard niet onmiddellijk en zonder meer bruikbaar in een specifieke situatie. Bovendien geldt voor algemene bedrijfskundige kennis, zoals voor alle kennis, dat de praktische waarde ervan soms pas veel later blijkt.[12]

Wat Ton de Leeuw hier stelt geldt voor vele soorten specialistische kennis. Het is gericht op een bepaalde specialistische werkelijkheid, vaak probleemgericht, niet zonder meer bruikbaar en soms pas veel later van praktische waarde. Voorbeelden van andere vormen van specialistische kennis zijn.

Spirituele vormen van kennis worden door de diverse religies gezien als een bijzondere vorm van kennis, die boven de verschillende wereldse (inclusief wetenschappelijke) vormen van kennis verheven is.

Volgens het Boeddhisme is de Drievoudige Kennis de hoogste vorm van kennis. Hieronder valt kennis van het bestaan van goden, hemelen en hellen, kennis van vorige levens, en kennis van Nirwana[13].

Talenkennis is kennis over de taal van een ander land of streek, en de ervaring in het spreken van die taal. Deze term is synoniem met talenknobbel. Bij talenkennis gaat het meestal om inzicht in en het spreken van buitenlandse talen. Voor vele beroepen in de handel, transport en dienstverlening is een talenkennis broodnodig. Het leren van een andere taal is een langdurig proces en dient meestal levenslang onderhouden te worden, anders zakt zulke kennis weer weg.

Vakkennis is kennis voor de uitoefening van een bepaald beroep. Dit begrip "vakkennis" is verwant met de begrippen bekwaamheid, knowhow, kunde, techniek en vakmanschap. Vakkennis wordt in de praktijk beproefd en berust veelal op ervaring en gewoontes. Het is een enorm reservoir van kennis, waarmee de gehele maatschappelijke voortbrenging wordt vervaardigd.

Voorbeelden van vakkennis betreft betonreparatie, bloementeelt, boekbinden, booglassen, groenteteelt, dakdekken, metaalbewerken, metselen, plaatbewerking, radioreparatie, schilderen, steigerbouw, tegelzetten, timmeren. Veel van deze voorbeelden stammen uit de landbouw en industrie. Maar alle handel en dienstverlening vergt evenzo eigen specifieke vakkennis en bekwaamheden.

In het verleden is deze kennis is altijd van generatie op generatie overgedragen in de beroepspraktijk direct via de familie of anders via het gilde wezen. In sommige gevallen behoorde de vakkennis tot de bedrijfsgeheimen. Een beroemd voorbeeld zijn de glasblazers van Murano bij Venetië, die eeuwen hun geheimen bewaarden en zo een monopolie positie wisten te behouden. Sinds de afgelopen eeuw is dit steeds meer overgenomen door ambachtsscholen en beroepsopleidingen.

Voorkennis of voorwetenschap is kennis vooraf (waaraan vooraf is afhankelijk van de context).

In de handel en economie verstaat men onder deze termen in het bijzonder de kennis van zaken bij een persoon voorafgaande aan een handelstransactie (handel met voorkennis). Van voorkennis is sprake als een bepaalde handelstransacties door meerdere mensen wordt voorbereid, en pas in een later stadium wordt uitgevoerd. Deze voorkennis is dan aanwezig bij de betrokken partijen maar kan ook via via bij derden terechtkomen. Met name op de aandelenbeurs is het niet toegestaan om op basis van deze informatie te handelen gericht op persoonlijk gewin.

Sinds de Klassieke Oudheid zijn er door filosofen en wetenschappers allerlei visies ontwikkeld op het wezen van kennis, en hiermee bedoelt men vaak de wetenschappelijke kennis. Deze visies worden in de kennistheorie en wetenschapsfilosofie onderzocht en uitgelegd. De wetenschappelijke kennis wordt hierbij gerelateerd aan onderwerpen als axioma, demarcatie, empirische basis, empirische cyclus, grondslagen, hypothese, onderzoeksprogramma, paradigma, theorie, sciëntisme, verificatie, wetmatigheid, zinvolheidscriterium,[6]

Zelfkennis kan zijn: het bewustzijn van het eigen zijn, of van de eigen denkwijze, emoties en gevoelens. Zelfkennis is voor degenen die het "zelf" als gedachte, emotie en gevoelens beschouwen niet het kennen van "het Zelf" maar de kennis van elke gedachte. Zelfkennis laat eventueel zien wanneer iets op waarheid berust of wanneer de gedachten op fantasie berusten bijvoorbeeld doordat het "zelf" zich geïdentificeerd heeft met de gedachten.

Er zijn nog vele ander vormen van kennis, zoals:

Kennis wordt vanuit verschillende vakdisciplines onderzocht. Hieronder volgt een overzicht.

Personificatie van kennis in de Antieke Bibliotheek van Celsus in Efeze (125 AD).
Een stier uit de Grot der Stieren, Lascaux, 15.000 - 10.000 v.Chr.
Ceres, de Romeinse godin van de landbouw
Twee druïden op een bas-reliëf van Autun.
Mesopotamisch kleitablet
Imhoteb
Theater in Milete.
Aristarchus' calculatie van de relatieve afmeting van de Aarde, Zon en Maan.
De mens en de wereld als sfeer van aarde, lucht en water, 1400 n.Chr.
Voorstelling van het bewustzijn in de 17e eeuw
Het spanningsveld tussen kennis, waarneming en werkelijkheid.
Tetraëder karakterisering van materiaalkundige kennis.